Coupe Soleil

Een korte topografische misdaadroman die zich afspeelt in Noordwijkerhout.


Deel 1 De Vondst

Het dorp is nog maar net ontwaakt, als ze steunend op haar looprekje de Zeestraat in schuifelt. Ze stopt even en kijkt naar de eerste vroege klanten van de supermarkt die haastig hun inkopen in de fietstassen bergen om snel hun weg weer te vervolgen. Haar oog valt op het bord van haar favoriete slager aan de overkant dat vertelt wat de aanbieding van de dag is. Even verderop rijdt het jonge meisje van de drogisterij het luid rammelende rek met zonnebrand produkten naar buiten. Ze vindt dit het fijnste moment van de dag wanneer het nog niet te druk is in de winkelstraten.

De eerste zonnestralen breken voorzichtig door het grijze wolkendek op deze maandagochtend in juni. Het is nog altijd te fris voor de tijd van het jaar. De zomer wil na het natte voorjaar maar niet echt beginnen.  Ze kijkt bedenkelijk omhoog, trekt de mouwen van haar versleten vest naar beneden en vervolgt langzaam haar weg.

In gedachten telt ze het aantal slagen van de kerkklok mee. Negen uur mompelt ze zachtjes na de laatste slag,  mooi op tijd voor m’n afspraak. Een grijze bus blokkeert haar weg en als ze er moeizaam omheen wil manouvreren, kijkt ze verschrikt op. ‘Goedemorgen tante Wil, niet schrikken, ik ben het maar.’

Ze kijkt naar de brede lach van de jongen die moeiteloos een gasfles op z’n schouders torst.

‘Goedemorgen Nick, hebben jullie een klusje hier?’

‘Ja, m’n Pa is al op het dak voor een lekkage.’

Ze kijkt naar boven en zwaait met haar rimpelige hand naar Pieter.

‘Doe maar voorzichtig hoor,’ roept ze met een nog verrassend krachtige stem.

Ze kijkt naar de zijkant van het busje “Loodgietersbedrijf P. Reiziger en Zn”. Dat laatste staat er pas sinds kort bij. Tot voor kort deed Pieter het allemaal alleen, maar nu is ook z’n zoon in de zaak werkzaam. Ze herinnert  zich nog hoe de vader van Pieter ooit het bedrijf is begonnen en zij één van Willem Reiziger’s eerste klanten was. 

‘Waar gaat u naar toe Tante Wil?’ roept de stem vanaf het dak.

Ze wijst naar de nog donkere ramen van “De Knip In”, even verder op in de straat.

‘Het is weer tijd om er iets fatsoenlijks van te maken,’ wijst ze lachend op haar grijze haren, terwijl ze haar weg vervolgt.

Ze tuurt door het glas van de voordeur de donkere ruimte in. Ze had toch om 9 uur een afspraak en Trudy is toch altijd ruim van te voren aanwezig?  Ze twijfelt, maar voelt dan toch voorzichtig of de deur niet toevallig al open is. Zonder verzet zwaait deze als vanzelf naar binnen. Ze blijft aarzelend in de deuropening staan. Zal ze alvast naar binnen gaan om haar gezwollen benen rust te gunnen?

‘Trudy, Trudy, ik ben het’.

 Ze roept nogmaals in de duisternis, maar krijgt geen gehoor.

Argwanend om zich heen kijkend, schuifelt dan toch maar naar binnen. Als ze eenmaal op één van de zwarte stoeltjes voor het raam heeft plaatsgenomen, zucht ze diep; tevreden dat ze even kan zitten. Haar ogen beginnen langzaam aan de duisternis achterin de salon te wennen en de donkere contouren van de brede kappersstoelen worden langzaam maar zeker helderder.

Dan slaat ze verschrikt haar hand voor de mond. Op de achterste stoel zit iemand. Bewegingloos, met het hoofd achterover, leunend tegen de rand van de wasbak; schijnbaar wachtend op een behandeling. Steunend op haar looprek, hijst ze zich met moeite overeind en beweegt zich zo snel als haar stijve benen het toelaten naar de andere kant van de salon. Als ze in een spookachtig masker het verwrongen gezicht van Trudy herkent, krijgt ze het gevoel dat ze moet overgeven. Ze draait zich zo snel als ze kan om en glijdt bijna uit op de spekgladde  vloer. De wieltjes van haar looprek laten een macaber spoor achter als ze luidkeels om hulp roepend naar de uitgang schuifelt.

Pieter die de angstige kreten heeft gehoord, is als eerste van het dak af en staat buiten adem voor haar.

‘Wat is aan de hand Tante Wil?’

Ze komt nauwelijks uit haar woorden en wijst paniekerig naar binnen.

‘Blijf jij bij Tante Will, dan ga ik binnen kijken,’ zegt hij tegen de aangesnelde Nick. Pieter zoekt als eerste de lichtschakelaars en als hij die gevonden heeft, wordt het duidelijk waarom Tante Wil zo overstuur is.

Het misvormde gezicht van Trudy is nauwelijks herkenbaar door de strak over haar hoofd getrokken folie. Haar puilende ogen staren wijd open gesperd het naar het plafond; de doodsangst is er nog niet uit verdwenen. Haar handen zijn achter haar stoel vastgebonden en ook haar voeten zijn geboeid met een dik koord. Met z’n EHBO opleiding weet Pieter dat alle hulp hier te laat komt. Hij deinst achter uit en hoort het geluid van brekend glas onder z’n voet. Trudy’s bril ligt half vermorzeld in de natte afdruk van z’n zware werkschoen. Nog twee gebroken ogen die niet meer geholpen kunnen worden, gaat het door hem heen.

Hij trekt de voordeur van de kapsalon weer achter zich dicht en snauwt tegen Nick dat hij de politie moet bellen. Tante Wil is opgevangen door het personeel van de kledingwinkel tegenover de salon als twee politie auto’s met gillende sirene’s uit tegengestelde richtingen de Zeestraat inrijden. Een busje en een Golf stoppen met piepende banden tegenover elkaar voor de deur. Het toegestroomde publiek wordt onmiddellijk op afstand gehouden en twee agenten gaan op aanwijzingen van Pieter snel de kapsalon binnen.

Als ze even later weer naar buiten komen, wordt razend snel de straat vanaf de Dorpsstraat tot aan de HEMA met rood/wit lint afgezet. Nieuwsgierige bewoners worden gesommeerd binnen te blijven en het personeel van de winkels binnen de afzetting mag niet naar buiten totdat ze een verklaring hebben afgelegd.

Pieter, Nick en Tante Wil hebben plaatsgenomen in het politiebusje. Een vrouwelijke agent stelt ze gerust en legt ze uit wat de verdere procedure is. Zij zal hen een eerste verklaring afnemen en als de recherche is gearriveerd, zullen ze verder worden gehoord als getuigen.

Het immer vreedzame straatbeeld is compleet veranderd. Achter de afzetting heeft zich een flinke groep mensen verzameld, die op verontruste toon speculeren over wat er gebeurd zou kunnen zijn. Witte schermen verhullen het zicht op de kapsalon en mannen en vrouwen in witte pakken lopen druk heen en weer. De forensische opsporingsdienst heeft bezit genomen van wat kortgeleden nog een gezellige kapsalon was en nu een serieuze plaats delict is.

Nick kijkt treurig vanuit het busje toe hoe een lange, stramme man met een regenjas en een bruine dokterstas achter de schermen verdwijnt. Met z’n jonge jaren is hij nog niet eerder zo direct met de dood geconfronteerd. Het weinige dat hij vanmorgen heeft gezien, heeft hij al aan de agente verteld. Hij zou wel naar huis willen en even met z’n moeder praten.

Tante Wil komt nauwelijks uit haar woorden. De agente is geduldig, maar de woorden komen onsamenhangend uit haar mond. Ze huilt en herhaalt keer op keer, waarom iemand zoiets zou doen, want Trudy deed immers nooit iemand kwaad. Als de agente zich tot Pieter wil richten, wordt de deur van het busje opengeschoven. Een fitte vijftiger met een vriendelijk, gebruind gezicht en een grijs ringbaardje stelt zich voor als rechercheur Steven van der Helm van de politie Hollands-Midden.

‘Ik ben de LPD’, meldt hij aan de agente.

‘Jullie kunnen nog niet weg,’ wijst hij naar haar drie collega’s buiten die ook als eerste ter plekke aanwezig waren.

‘Ik heb bij de meldkamer aangegeven dat jullie voorlopig even niet verder inzetbaar zijn, totdat wij hier klaar zijn.’

Dan verdwijnt hij haastig achter de witte schermen.

‘LPD?’ vraag Pieter.

‘Leider Plaats Delict, dat is degene die de plaats van het delict moet veiligstellen en bepaalt wat en hoe alles moet worden afgehandeld.’

Pieter knikt begrijpend en legt vervolgens ook zijn verklaring snel af. Nick ziet hoe de man met de dokterstas en de rechercheur even later achter de schermen vandaan komen. Ze wisselen nog een paar woorden en nemen dan hoofdschuddend afscheid.

‘Mogen we even een shaggie roken buiten?’

De agente kijkt naar Nick’s trillende handen en knikt toestemmend.

‘Moeten we mamma niet bellen?’

Pieter steekt z’n sigaretje op en mompelt dat dat niet mag totdat ze met de recherche hebben gesproken. Achter de afzetting zien ze Willie Vleugels die druk bezig is om foto’s te maken voor de lokale nieuws website “Noordwijkerhout Actueel”. Als hij Pieter en Nick ziet, begint hij druk te gebaren om hun aandacht te trekken. Willie en Pieter kennen elkaar al sinds hun vroege jeugd en dit is een uitgelezen moment om informatie uit eerste hand te verkrijgen. Pieter maakt echter het gebaar dat z’n lippen verzegeld zijn, maar tegelijkertijd dat hij later zal bellen. Een opgestoken duim is het tevreden antwoord.

Dan wordt het geroezemoes plotseling overstemd door wanhopige kreten. Een forse kerel met een kort geschoren kapsel wordt door de geüniformeerde agenten tegengehouden, als deze door de afzetting heen probeert te komen.

‘Mijn God, dat is Charles Opdam, Trudy’s vriend’.

Nick gooit z’n peukje weg en rent naar hem toe. Hij vertelt de agenten wie hij is en dat ze hem moeten doorlaten. Voordat hij verdere uitleg kan geven, wordt er een krachtige hand op z’n schouder gelegd.

‘Ik neem het wel over hier,’ zegt een geruststellende stem met een onmiskenbaar Leids accent achter hem.

Een jonge, breed geschouderde rechercheur stelt zich voor als Dick Engelsman, een collega van Steven van der Helm. Hij neemt de man mee en stuurt Nick terug naar het politiebusje.

Charles staat er reddeloos bij als hij van de twee rechercheurs te horen krijgt dat zijn vriendin onder tragische omstandigheden is overleden. Van der Helm gaat niet in op de gruwelijke details en hij mag zeker niet de kapsalon in om haar te zien.

‘Heeft u vanmorgen of afgelopen dagen iets bijzonders aan uw vriendin gemerkt?’

‘Nee, ze was opgewekt en vorige week hebben we nog samen de Avondvierdaagse gelopen. Weliswaar ging het de laatste tijd financieel iets minder goed met de zaak, maar daar leek ze zich niet echt zorgen om te maken.

‘Hoe laat is uw vriendin van huis vetrokken vanmorgen?’

‘Vroeg, vroeger dan anders. Om 07.30 uur is ze al naar de zaak gegaan, maar dat kwam omdat ze afgelopen zaterdag geen tijd meer had om schoon te maken na sluitingstijd. Daarna ben ik rond 08.45 uur begonnen met het opbouwen van m’n kraam,’ wijst hij naar het verderop gelegen Marktplein.

‘Verwachtte uw vriendin nog iemand vanmorgen? Een vroege klant of personeel?’

‘Nee, niet dat ik weet. Op maandag werkt ze altijd alleen en op de overige dagen heeft ze een stagiaire en een vaste kracht in dienst.’

Charles heeft grote moeite om z’n emoties onder bedwang te houden. De twee rechercheurs kijken elkaar even aan of ze nu moeten doorgaan met vragen, maar dan is het Van der Helm die het woord neemt.

‘We zullen later contact met u opnemen. Is er iemand thuis die u kan opvangen?’

Charles twijfelt even, schudt dan ontkennend z’n hoofd en zegt dat hij toch het liefst thuis en even alleen wil zijn. Als Engelsman vervoer en slachtofferhulp voor hem heeft geregeld , keren de rechercheurs terug naar de kapsalon.

Ze kijken zwijgend naar het ontzielde lichaam van Trudy, terwijl medewerkers van de Forensische Opsporingsdienst druk bezig zijn met het nemen van foto’s, op zoek zijn naar DNA materiaal, vingerafdrukken en andere sporen die kunnen leiden tot het vinden van de dader(s).

Van der Helm buigt zich over het slachtoffer en bestudeert het gezicht met de folie die daar strak over heen is getrokken. Hij wijst naar de gezwollen plek aan de zijkant van het hoofd.

‘Waarschijnlijk hebben ze haar eerst een klap tegen het hoofd gegeven, voordat ze die arme drommel op die stoel konden vastbinden.Volgens de arts was ze waarschijnlijk pas 2-3 uur dood en kan ze waarschijnlijk nooit door de folie gestikt zijn, ook was die klap niet dodelijk.’

Z’n collega kijkt verbaasd als hij de vele kleine gaatjes in het materiaal aanwijst.

‘Kijk eens of je dit folie hier ergens kunt vinden en vraag of iemand de vloer kan drogen als de FOD-jongens er mee klaar zijn,’ knort hij over z’n leesbril.

Even later komt de jonge rechercheur triomfantelijk aanlopen met een rol folie in z’n gehandschoende handen.

‘Volgens mij is dit het, maar ik zou niet weten waarvoor je het zou kunnen gebruiken  met al die gaatjes.’

‘Kappers gebruiken het om een coupe soleil te maken. Ze trekken het over het haar en met een haakje trekken ze kleine plukje door die gaatjes, die vervolgens worden gekleurd. Mijn vrouw laat het ook altijd doen,’ legt de ervaren rechercheur uit.

‘Als ze niet gestikt is door de folie, hoe is ze dan omgebracht?’

‘Het rapport van de lijkschouwer zal uiteindelijk het antwoord geven, maar ik vermoed dat is geprobeerd om haar te waterboarden.’

Hij wijst op het hoofd achterover in de wasbak, de hand-sproeikop met flexibele slang en het water op de vloer.   

‘Er is waarschijnlijk keer op keer water over het folie op haar gezicht gespoeld, zodat ze het gevoel kreeg dat ze stikte. Het is een barbaarse ondervragingstechniek die wereldwijd verboden is en hier waarschijnlijk flink uit de hand is gelopen.’

‘Dat betekent dan ook dat de dader(s) hebben geprobeerd om informatie uit haar te krijgen en haar misschien niet hebben willen vermoorden.’

Van der Helm knikt instemmend.

‘We zullen het autopsierapport moeten afwachten, dus laten we zo snel mogelijk beginnen aan de verhoren.’

Pieter en Nick zijn de eerste die worden verhoord, maar kunnen weinig toevoegen aan de verklaringen die ze eerder hadden afgelegd. Ze waren om 08.45 in de Zeestraat aangekomen voor die reparatie aan het dak en hadden niets bijzonders gehoord of gezien, voordat Tante Wil om hulp riep. Ook hebben ze niemand naar binnen zien gaan of naar buiten zien komen. Nick legt nog wel uit waar hij Charles van kent.

De bus moeten ze later ophalen, omdat de afzetting nog in tact moet blijven, maar ze mogen wel naar huis. Het aanbod om gebracht te worden, slaan ze af omdat ze op vijf minuten lopen van de Zeestraat wonen.

Voor Tante Wil wordt slachtofferhulp en thuiszorg  geregeld. Ze woon alleen, haar man is een paar jaar geleden overleden en haar kinderen zijn lang geleden al uit Noordwijkerhout vertrokken. De buurvrouw zal haar vanavond gezelschap houden en iets te eten maken.

Langzaam herstelt het straatbeeld zich weer. De mensen van de FOD zijn vertrokken, de afzettingen weggehaald en heeft rechercheur Engelsman, onder toezicht van zijn collega de voordeur van de kapsalon verzegeld.

Ze kijken zwijgend hoe de achterlichten van de statige lijkwagen verdwijnen in de verte van de Havenstraat, waar de marktkramen eerbiedig plaats hebben gemaakt.


Deel 2 Het Onderzoek


‘Laten we maar eens kijken of we hier ergens een broodje kunnen krijgen,’ wijst Van der Helm naar het plein met de oude Linden.

De lunchtijd is al ruim voorbij en het is rustig op het grote terras waar voornamelijk hamburgers worden geserveerd. Nadat ze hun bestelling hebben geplaatst, bespreken ze wie ze verder zouden willen verhoren.

‘Behalve de verslagen van het buurtonderzoek vanmorgen hebben we nog niet veel. Iemand moet toch iets gezien of gehoord hebben?  In zo’n klein dorp weet toch iedereen alles van elkaar?’ verzucht Engelsman ongeduldig.

‘Het is inderdaad een klein dorpje, dus kan het ook niet moeilijk zijn om mensen te vinden die precies weten wat er leeft in zo’n kleine gemeenschap. Overigens krijg  ik net door dat de Burgemeester om 16.00 uur een persconferentie geeft in het gemeentehuis en dat wij daar bij moeten zijn,’ kijkt Van der Helm op vanaf z’n telefoon.

Als de lokale hamburgers worden geserveerd, vertelt de jonge serveerster zonder enig aarzelen dat Willie Vleugels de persoon is die de rechercheurs zou kunnen helpen met lokale informatie. Ze wijst naar de tanige man die een paar tafeltjes verderop druk zit te bellen. Z’n fiets staat slordig geparkeerd tegen z’n tafeltje, z’n eeuwige camera ligt naast z’n lege bord en z’n vingers gaan vliegensvlug over z’n Ipad om het laatste nieuws wereldkundig te maken.

Even later zitten de drie mannen gezamenlijk aan de koffie en denkt Willie na over de vraag wat hij over Trudy weet.

‘van Dijk is haar meisjesnaam, maar ze is kort getrouwd geweest met Jens Penning van de leugenaar.’

De beide rechercheurs kijken verbaasd. De leugenaar, wat heeft dat voor betekenis? Willie legt uit dat sommige echte Noordwijkerhouters een bijnaam hebben om de families uit elkaar te houden en dat de grootvader van Jens bekend stond als een leugenaar. Vandaar die bijnaam.

‘Hun huwelijk heeft maar twee jaar geduurd. Jens kon z’n handjes niet altijd thuis houden en bovendien was hij ziekelijk jaloers als Trudy aandacht kreeg van  andere mannen en ook was hij jaloers op het succes van haar zaak. Het gerucht gaat en het is alleen maar een gerucht, dat Jens geld van Trudy wilde hebben. Het fijne weet ik er niet van, maar sinds ze samen is met Charles, leek ze wel weer heel erg gelukkig.’

Engelsman maakt driftig aantekeningen in z’n beduimelde blauwe boekje.

‘Zijn er nog meer geruchten die ons zouden kunnen helpen?’ vraagt van der Helm.

Willie zakt onderuit in z’n stoel en benadrukt nogmaals dat hij veel hoort en ook probeert als journalist feiten te achterhalen, maar dat het voorlopig alleen maar geruchten zijn. Hij wijst op een groot leegstaand winkelpand op de hoek van de Zeestraat en de Dorpsstraat.

‘Dat pand staat al een paar jaar leeg en nu schijnt die makelaar het te kunnen verhuren, maar een eventuele nieuwe huurder zou het alleen willen huren inclusief Trudy’s pandje.’

‘Huurde mevrouw van Dijk de kapsalon of had ze het in eigendom?’

Willie is even beduusd omdat de vraag in de verleden tijd word gesteld, maar schudt dan zijn hoofd dat hij het niet weet.

Van der Helm plukt nadenkend aan z’n baard.

‘Het zou dus kunnen zijn dat de eigenaar van het pand en/of de makelaar, mevrouw van Dijk uit haar pand wil hebben om het uiteindelijk  in z’n geheel te kunnen verhuren of te verkopen?’

‘Dat zou goed kunnen, maar het is een makelaar van buiten het dorp en dan krijg ik er niet zo veel over te horen.’

Met de mededeling dat ze hem altijd kunnen bellen en dat ze elkaar op de persconferentie wel weer zullen tegenkomen, stapt Willie weer op z’n fiets.

‘Dus nu hebben we een jaloerse ex-man met losse handjes en een wanhopige vastgoed makelaar of een eigenaar als mogelijke verdachten,’ zegt Engelsman triomfantelijk.

Van der Helm kijkt z’n jonge collega glimlachend aan.

‘Feiten Dick, het gaat om de feiten.’

Met die woorden steekt hij de rekening in z’n zak en wandelen ze naar het Gemeentehuis om de persconferentie voor te bereiden.

Na de successen van de lokale voetbalvereniging VVSB en alle media aandacht die daarmee gepaard ging, begint de Burgemeester geroutineerd met zijn verklaring aan de aanwezige journalisten. Hij bevestigt dat mevrouw Gertrude van Dijk, oud 31 jaar, deze ochtend levenloos is aangetroffen en door geweld om het leven is gekomen.  De politie Hollands-Midden, Bureau Leiden, heeft een team van ervaren rechercheurs op deze trieste zaak gezet en hun onderzoek is inmiddels in volle gang. De kleine gemeenschap van Noordwijkerhout is diep geschokt en voor hen die daar behoefte aan hebben, is er een team van Slachtofferhulp aanwezig voor geestelijke bijstand. Ook wordt iedereen, die iets heeft gehoord of gezien, dringend verzocht zich te melden bij de politie. Namens het gemeentebestuur spreekt hij afsluitend zijn medeleven uit naar alle nabestaanden. Op de meeste vragen die daarna door de journalisten worden gesteld, is het standaard antwoord van de Burgemeester dat nadere details in het belang van het onderzoek nog niet kunnen worden gegeven. De toehoorders voelen aan dat er voorlopig niet veel meer informatie te behalen valt en beginnen langzaam maar zeker hun spullen bij elkaar te pakken. Totdat de volgende vragen worden gesteld door Gerard Jaspers van het Bollenstreek Nieuwsblad.

‘Burgemeester, is het u bekend dat bendes uit Oost-Europa hun invloedssfeer binnen de Bollenstreek aan het vergroten zijn en dat veel winkeliers in de streek “beschermingsgeld” moeten afdragen? Vermoedt de politie enige betrokkenheid van deze criminele organisatie bij de moord op Trudy van Dijk?’

De Burgemeester lijkt van z’n stuk gebracht en kijkt vertwijfeld naar Van der Helm die het woord vervolgens overneemt. Hij verklaart dat er naar zijn weten geen bewijzen zijn voor het bestaan van zo’n organisatie, dus ook niet van enige betrokkenheid bij de gebeurtenissen van die morgen, maar dat het zeker in het onderzoek meegenomen zal worden.

Na de persconferentie geeft Van der Helm instructies aan zijn collega.

‘Ga jij eens praten met die Jens Penning en zoek ook uit hoe dat zit met het eigendom van die twee panden en wie dat wil huren of kopen. Ik ga nog een babbeltje maken met die Jaspers en dan naar huis.’

De volgende morgen treffen de twee rechercheurs elkaar in het kleine politiebueau aan de Herenweg, dat ze als tijdelijke werkplek hebben gekozen.

Met een dampende kop koffie en een vers gebakken broodje voor zich, vertelt Engelsman over zijn bevindingen van de avond ervoor.

‘Die Jens Penning was gisteren nauwelijks aanspreekbaar. Hij was duidelijk onder de invloed van alcohol en jammerde steeds dat hij Trudy zo mist.’

‘Heeft hij een alibi?’

‘Hij zit zonder werk en zei dat hij gisteren tot 11 uur op z’n bed heeft gelegen. Er is echter nog niemand in z’n omgeving die dat zou kunnen bevestigen. Hij woont overigens maar zo’n 5 minuten lopen van het centrum en de kapsalon.’

Hij kijkt even in z’n aantekenboekje om het adres op te zoeken.

‘Koepelberg, een klein flatje, waar hij alleen woont en waar het een enorme puinhoop is. Ik had het gevoel dat ik m’n voeten moest vegen toen ik weer naar buiten ging.’

Van der Helm lijkt de informatie op zich in te werken en vraagt dan hoe het zit met die panden.

‘Volgens het kadaster is die makelaar ook tevens de eigenaar van het pand, inclusief de kapsalon. Ik heb op z’n website gezien dat het al minstens twee jaar op een nieuwe huurder of eigenaar wacht. Maar ja, dat lijkt me niet zo vreemd met die leegstand hier in het centrum.’

‘Hmmm, dat betekent dus dat het slachoffer de kapsalon huurde.  Zoek eens uit wie de contactpersoon is bij die makelaar en wie er interesse in heeft.’

Dan vertelt Van der Helm over z’n gesprek met de journalist Gerard Jasper.

Hij is al een poosje bezig met een onderzoek naar die bendes uit Oost-Europa en heeft naar zijn zeggen al veel informatie verzameld. De lokale politie heeft er tot nu toe niet veel aandacht aan besteed, omdat niemand aangifte durft te doen volgens hem. Hij wil wel informatie delen met de politie delen, maar alleen als hij de volledige primeur krijgt van die kapsalon zaak. Als freelance journalist wil hij het verhaal aan zo veel mogelijk kranten en tijdschriften als eerste kunnen aanbieden.

‘Ik heb hem verteld dat wij in Nederland niet aan dergelijke “Amerikaanse” praktijken meewerken en dat hij verplicht is om informatie te delen die het belang van het onderzoek dient. Niet dat hij onder de indruk was, maar hij heeft me toch een naam gegeven als bewijs voor de informatie die hij heeft verzameld: Konstantin Ivanovitsj.’

Ik heb die naam laten opzoeken in onze landelijke systemen. Hij heeft een strafblad voor afpersing en bedreiging en is sinds een jaar weer op vrije voeten. Ik heb de collega’s van de Criminele Inlichtingen Dienst in Leiden gevraagd uit te zoeken waar hij op dit moment verblijft, maar het zal nog wel even duren voordat we daar antwoord op krijgen. Vanmiddag krijgen we overigens wel het rapport van de lijkschouwing, maar voor die tijd moeten we ook nog even een babbeltje met Charles Opdam maken.’

Even later staan de rechercheurs voor een modern appartementen complex. De donkere bakstenen geven het gebouw een sinistere uitstraling en terwijl ze wachten op een reactie van hun aanbellen, luisteren ze zwijgend naar het monotone geluid van de provinciale weg. 

De deur wordt geopend door een jonge vrouw die zich voorstelt als Chantal Warmerdam, een goede vriendin van  het stel, die hen naar de woonkamer begeleidt. Een ongeschoren Charles vertelt dat hij de afgelopen nacht niet heeft geslapen en zich maar niet kan voorstellen dat Trudy er niet meer is. De komende dagen heeft hij vrijaf genomen tot na de begrafenis. Als hij de tranen uit z’n roodomrande ogen veegt, belooft Van der Helm dat ze het kort zullen houden, maar toch een paar dringende vragen willen stellen.

‘Hoe heeft u beiden het afgelopen weekend doorgebracht?’

‘Ik stond zaterdag op de markt in Leiden en Trudy heeft de hele dag gewerkt. Daarna, wijzend naar Chantal, zijn we meteen naar vrienden gegaan voor een barbeque. Zondag had ik de hele dag een parcours bij de vereniging en heeft Trudy haar administratie bijgewerkt.’

De rechercheurs kijken hem vragend aan en dan legt Charles uit dat hij lid is van een Airsoft vereniging en dat hij samen met Nick Reiziger aan veldslagsimulaties doet.

‘Uw vriendin ging gisterochtend om 07.30 uur de deur uit en u bent om 08.45 uur begonnen met de opbouw van uw marktkraam. Waar was u in die tussentijd?

‘Thuis, ik heb gedouched, de krant doorgenomen en ben daarna naar m’n opslag gegaan om m’n spullen te laden. Rond 08.45 was ik op het Marktplein waar genoeg mensen me gezien hebben.’   

‘Heeft Trudy u ooit iets verteld over afpersing of dat ze onder druk werd gezet om het huurcontract van de kapsalon voortijdig te beëindigen?’

Charles denkt even na, maar zegt dan dat zij daar nooit over gesproken heeft en dat hij daar ook niets van heeft gemerkt. De omzet was afgelopen twee maanden wel teruggelopen, maar dat kwam omdat er net een nieuwe salon was geopend in het dorp. Chantal knikt bevestigend.

‘U bent het er mee eens?’ vraagt Engelsman aan Chantal.

‘Trudy was m’n beste vriendin. Ze vertelde me altijd wat haar dwars zat.’

‘Wanneer heeft u haar voor het laatst gesproken of gezien?’

‘Zondag ben ik nog even bij haar langs geweest, omdat ze de hele dag alleen zou zijn.’  

‘Werd Trudy wel eens lastig gevallen door haar ex-man?’ vraagt Engelsman zich weer tot Charles richtend.

‘Wel eens! Die klootzak belde haar soms wel 10 keer per dag en stond vaak voor de etalage van de salon naar haar te kijken als ze aan het werk was. Jullie wijkagent hield hem wel in de gaten en dan ging het weer een paar dagen goed, maar hij bleef haar stalken.’

Als de rechercheurs weer buiten staan, wordt Engelsman gebeld. Hij luistert kort en bevestigt dat hij er meteen aankomt.

‘Ik heb een afspraak met de directeur van makelaarskantoor  van ’t Veld. Die makelaar van dat lege pand.’

‘Pak jij de auto maar, dan loop ik wel terug naar ons tijdelijke bureau. Dan kan ik onderweg nog een beetje nadenken.’

Als Van der Helm onder het viaduct van de provinciale weg doorloopt richting de Havenstraat, stopt er een grote Audi naast hem. De chauffeur stapt uit en opent de achter portier om zijn passagier uit te laten stappen. Een magere, kleine man met een schijnbaar te grote bril stapt uit en maakt zich in goed Nederlands bekend als Konstantin Ivanovitsj.

‘Vindt u het erg als ik eindje met u meeloop meneer Van der Helm?’

De rechercheur is verbaasd, maar toch te nieuwsgierig om het verzoek te weigeren.

‘Ik hoorde dat u op zoek bent naar mij en ik dacht waarom maak ik het u niet wat gemakkelijker door u even op te zoeken en een paar zaken uit te leggen?

‘Die journalist Jaspers, met wie u gesproken hebt, is een wanhopige sensatiezoeker. Hij loopt al bijna een jaar te zoeken naar iets wat niet bestaat. Ik ben een zakenman en maak gebruik van, hoe zal ik het zeggen, uw tekort aan personeel in deze streek en mijn relaties in m’n vaderland. Soms maak ik gebruik van de kansen die mij geboden worden en die botsen soms een beetje met uw belangen, maar ik ben geen moordenaar. Noem mij een opportunist, maar ik bedreig geen mensen meer die op een eerlijke manier hun brood verdienen. Die Jaspers heeft u niets te bieden. Hij heeft nog nooit iets fatsoenlijks gepubliceerd en zal dat ook nooit kunnen en al zeker niet over mijn rug.’

‘Waarom neemt u de moeite om mij dit allemaal te vertellen?’

Ivanovitsj lijkt even te aarzelen en antwoordt dan met een minzame glimlach.

‘U was er waarschijnlijk toch wel achtergekomen en ik heb er geen enkel belang bij als mijn zaken stagneren.’

Ze zijn inmiddels op het Marktplein aangekomen en Ivanovitsj wijst naar de supermarkt op de andere hoek.

‘Ik ben voor 60% eigenaar van die zaak en z’n huidige jasje is na twee jaar behoorlijk gaan knellen.’

Hij denkt even na voordat hij weer op gedempte toon verder gaat.

‘M’n partner is op zoek naar een groter onderkomen en is weken in onderhandeling geweest met die makelaar van dat leegstaande pand aan de Dorpsstraat. Ze zijn er niet uitgekomen, want alleen een verkoop van het gehele pand was voor hem de enige optie. U begrijpt toch wel wat ik bedoel, toch?

Van der Helm knikt instemmend.

De gevolgde Audi wacht geduldig achter het twee-tal en voordat Ivanovitsj weer instapt, stopt hij een briefje in de hand van de rechercheur.

‘Dit is mijn telefoonnummer. Belt u me maar als u vastloopt met uw onderzoek; ik heb veel ogen en oren in deze streek.’

Van der Helm stopt het briefje in z’n zak en loopt nadenkend over de vreemde ontmoeting naar het lokale politiebureau. Als hij een poosje later zijn verslagen heeft bijgewerkt, stapt collega Engelsman binnen die met een diepe zucht achter het bureau voor hem neerploft.

‘Wat een arrogante kwast die makelaar. Hij wilde niet vertellen aan wie hij het pand zou kunnen verhuren of verkopen. Natuurlijk heeft hij niet geprobeerd om het huurcontract met de kapsalon voortijdig te verbreken.’       

‘Heeft hij een alibi voor het tijdstip van de moord?’ onderbreekt Van der Helm hem ongeduldig.

‘Hij zegt dat hij gisterochtend van 07.00 tot 08.00 uur in het zwembad was en dat hij dat een paar keer per week doet, maar gisteren waren er niet veel bezoekers, volgens hem. Ik zal het checken.’

‘We hebben feiten nodig Dick. Haal hem morgen maar naar het bureau, dan zullen we hem eens flink aan de tand voelen.’

Dan wordt hun conversatie onderbroken door het overgaan van Van der Helm's telefoon. Hij luistert een paar minuten zwijgend toe en hangt dan, met een mompelend dank je wel, weer op.

‘Dat was de lijkschouwer. Hij bevestigt dat het slachtoffer tussen 07.00 en 09.00 uur op maandagochtend is overleden en wel door verdrinking en niet door verstikking. De verwondingen door de touwen aan de handen en benen wijzen er op dat ze zich heftig heeft verzet, maar dat het niet lang heeft geduurd voordat ze overleed. Het officiële, volledige rapport krijgen we overigens op z’n vroegst morgen pas, omdat ze nog extra onderzoek willen doen.’


Deel 3 De Onthulling

Als de Lunchroom hun broodjes op het bureau heeft bezorgd, vertelt Van der Helm over z’n ontmoeting met Ivanovitsj.

‘Hoe wist hij nu dat hij jou moest hebben en waarom heeft hij jou zelf opgezocht?’

‘De collega’s van de Criminele Inlichtingen Dienst hebben bij hun informanten wat visjes uitgegooid waar hij zou kunnen verblijven en dat is hem ten gehore gekomen. De aanval was in dit geval de beste verdediging voor hem om ons duidelijk te maken dat hij geen belang heeft bij de moord op Trudy.’

‘Maar, waarom zou hij ons willen helpen?’

‘Geven en nemen Dick, daar drijft de politie op. Op deze manier blijven wij gefocussed op deze moordzaak zonder verdere inmenging in zijn zaken op dit moment.’

‘Dus, we laten hem nu met rust.’

‘Precies, totdat er nieuwe feiten boven water komen.’

Van der Helm maakt een prop van de verpakking van z’n broodje en werpt deze met grote precisie in de prullenbak aan de andere kant van de kamer. Met een vergenoegzaam gezicht richt hij zich weer tot z’n collega.

‘We hebben nog steeds geen idee wat het motief  voor de moord is geweest en dat helpt ons niet bepaald verder. Bijt jij je vanmiddag maar eens stuk op het alibi van die Jens Penning. De bijnaam die hij heeft, hebben ze hem niet voor niets gegeven. Zoek uit of hij familie heeft, ga bij de buren langs, z’n stamkroeg; de onderste steen moet boven. Ga ook bij dat zwembad langs, waar die makelaar altijd zwemt. We moeten weten hoe waterdicht z’n verhaal is en laat hem weten dat we hem morgen om 09.00 uur hier op het bureau verwachten.’

‘Dat wordt een latertje vandaag,’ zucht Engelsman.

‘Wat ga jij dan doen vanmiddag?’

‘Ik ga dat verhaal van Charles tot op de seconde controleren, want daar zitten ook nog wel een paar blinde vlekken in. Bovendien wil ik weten wat voor soort touw is gebruikt om het slachtoffer vast te binden en waar dat vandaan komt. De collega’s van het lab kunnen me dat vast wel vertellen.’

Met die woorden gaan de rechercheurs weer op pad.

De andere ochtend meldt Richard  van ’t Veld zich om stipt 09.00 uur op het bureau aan de Herenweg.

‘Ben ik nu officieel verdachte? Heb ik soms een advocaat nodig?’

‘Als u een advocaat wenst bij dit gesprek, dan wachten we nog even,’ begroet Engelsman de Makelaar op rustige toon.

Hij schudt z’n hoofd en pakt de aangereikte koffie aan. De rechercheurs gaan hem voor naar de verhoorkamer en dan stelt Engelsman hem de eerste vraag.

‘U heeft verklaard dat u afgelopen maandag op of omstreeks 07.30 uur in zwembad De Schelft was en dat u na een uur weer vertrokken bent. U bent vervolgens rechtstreeks naar uw kantoor in Lisse gereden, alwaar u ongeveer om 09.00 uur bent gearriveerd. We hebben echter niemand kunnen vinden die uw aanwezigheid in het zwembad heeft kunnen bevestigen. Natuurlijk worden wel de abonnementen gecontroleerd, maar de dame achter het loket heeft toegegeven dat dit ’s morgens vroeg niet al te nauwkeurig gebeurt. Kunt u namen geven van mensen die u daar gezien hebben?’

‘Nee, we waren slechts met z’n drieën in het zwembad. Een man en een vrouw, maar ik had ze nog nooit eerder gezien.’

Dan springt Van der Helm in.

‘Waarom wilt u het pand op de hoek van de Dorpsstraat alleen maar in z’n geheel verkopen? Waarom niet alleen het leegstaande deel verhuren?

‘Ben ik daarom hier? Denkt u dat ik mevrouw Van Dijk heb vermoord omdat het pand zonder huurder makkelijker te verkopen is?’

‘U hebt het financieel niet makkelijk volgens mij, dus dat zou het wel verklaren.’

De makelaar valt even stil en strijkt wanhopig door z’n haar.

‘Ik zit midden in een scheiding en m’n bijna ex-vrouw probeert me op alle manieren kaal te plukken. Dus ja, hoe eerder ik dat pand kan verkopen, hoe liever het me is, maar ik zou er geen moord voor plegen, ondanks dat ik de schijn tegen heb. Bovendien, hoe had ik moeten weten hoe laat ze daar zou zijn?’

De rechercheurs kijken elkaar even aan en dan gaat Van der Helm op officiële toon verder.

‘Meneer van ’t Veld ik zou u kunnen aanhouden wegens ernstige verdenking op de moord van mevrouw Gertrude van Dijk. Ik zou u willen adviseren om een advocaat in de arm te nemen en u beschikbaar te houden voor nader verhoor. Dat laatste betekent dat u komende dagen binnen 60 minuten beschikbaar moet kunnen zijn op ons bureau.

Nadat de makelaar is vertrokken, zitten de mannen zwijgend tegenover elkaar.

‘Waarom heb je hem laten lopen?’ verbreekt Engelsman de stilte.

‘We moeten uiteindelijk het bewijs nog zien rond te krijgen. Hij heeft vooralsnog als enige een motief en geen sluitend alibi. Misschien wordt hij zenuwachtig en gaat hij fouten maken.’

‘Hoe zit het met het alibi van die Charles en die touwen? Ben je daar nog verder mee gekomen?

‘Ik heb z’n hele route nagelopen en hij zou de tijd gehad kunnen hebben om de moord te plegen. Van de woning naar de kapsalon is het met de auto slechts 6 minuten. Hij zou dan voor 08.00 uur in de kapsalon geweest kunnen zijn, de moord plegen en dan snel naar z’n opslag om z’n spullen voor de markt op te halen. Die opslag is ook maar 10 minuten van de salon. Z’n collega’s van de markt hebben bevestigd dat hij inderdaad rond 08.45 uur op het Marktplein was. Het lab heeft de gebruikte touwen niet kunnen herleiden, maar gaven wel aan dat dit soort vaak wordt gebruikt om te klimmen.’

Engelsman laat het even op zich inwerken.

‘Waarom zie je dan wel die makelaar als serieuze verdachte en Charles niet?’

‘Motief Dick, ik zie het motief van Charles nog niet.’

Voordat z’n collega kan reageren, worden ze opgeschrikt door de bel bij de balie. Een bode meldt zich met een express stuk voor de rechercheurs.

‘Dat zal het het autopsie rapport zijn,’ staat Van der Velden op.

Na zich een paar minuten verdiept te hebben, kijkt hij verbouwereerd op naar de nieuwsgierige Engelsman.

‘Trudy was 6 weken zwanger toen ze van het leven werd beroofd.’

‘Sodeju, en daar heeft die Charles niets over gezegd?’

‘Ik vraag me of hij het al wist of dat ze het eerst met iemand anders heeft gedeeld,’ zegt van der Velden met een bedenkelijke blik.

‘We moeten het hem toch wel vertellen?’

‘Ja zeker, maar ik ga straks eerst nog even bij die oude dame langs die haar gevonden heeft. Ben jij nog meer te weten gekomen over die Jens Penning?’

Engelsman lijkt even moeite te hebben om zich weer te concentreren na de onthutsende mededeling over de zwangerschap.

‘Nee, niet echt. Iedereen vertelt min of meer hetzelfde. Sinds z’n breuk met Trudy is hij afgegleden en z’n werk kwijtgeraakt. Hij drinkt veel en komt ’s morgens pas laat z’n bed weer uit. Niemand heeft hem maandagmorgen gezien, maar ook niemand gelooft dat hij in staat zou zijn om Trudy iets aan te doen.’

Van der Helm  knikt afwezig en staat dan haastig op.

‘Ga jij eens met die vrouw van de makelaar praten en probeer te achterhalen wie die man en vrouw in het zwembad waren. We moeten weten of z’n verhaal klopt. Ik ga intussen op visite.’

Van derHelm zet de kraag van z’n regenjas op als de eerste druppels uit de samengepakte wolken vallen. Het Dorpsplein ziet er mistroostig uit en de haastige mensen hebben geen belangstelling voor de uitnodigende terassen en uitgestalde winkelwaar. Hij vervolgt z’n weg naar de Zeestraat en blijft even stilstaan bij de verzegelde toegangsdeur van de kapsalon. De stoep voor de kleine etalage ligt bezaaid met bloemen en kleine knuffels. Z’n gedachten gaan uit naar de jonge vrouw die een nieuw leven droeg en hoopte op een gelukkige toekomst. Het enige wat hij nog voor haar kan doen is zorgen dat de dader zijn of haar straf niet zal ontlopen. Mismoedig vervolgt hij zijn weg langs de winkels om bij de Victoriberg over te steken richting de Groenewege. Als hij de bochtige weg volgt, ziet hij uiteindelijk de kleine woningen waar hij moet zijn.

‘Gebruikt u suiker in de thee rechercheur?’

Tante Wil zet de suikerpot voor hem neer, maar hij maakt een afwijzend gebaar.

‘Bent u inmiddels een beetje over de schrik heen?’

‘Ach ja, je moet wel, maar ik moet er ook wel veel aan denken. Ik kende Trudy al sinds ze een baby was. Ze heeft veel tegenslagen gehad, maar sinds ze met Charles is, is ze helemaal opgebloeid.’

Ze neemt de tijd om in haar kopje te roeren en even lijkt het alsof ze terug is in een ver verleden. Van der Velden gunt haar alle tijd en dan gaat ze verder met de theekop tussen haar twee rimpelige handen geklemd.

‘Mijn zuster zaliger had vroeger een vriendje. Een knappe, succesvolle jongen en alle meisjes waren ontzettend jaloers op haar. Ze vond niets mooier dan hier in het dorp met hem te pronken en iedereen te laten zien wat een knap stel ze waren. Na een jaar zijn ze keurig verloofd en werden de trouwplannen voorbereid. Een mooie toekomst leek voor ze weggelegd.’

Tante Wil stopt even en veegt een opwellende traan uit haar ogen.

‘Mijn oudste dochter is niet van de man met wie ik ben getrouwd. Ook ik was stiekum verliefd op het vriendje van m’n zuster en heb hem niet kunnen weerstaan. U begrijpt dat ik er niet trots op ben en dat het huwelijk van m’n zuster niet is doorgegaan. Ze heeft het me nooit vergeven en ik ben uiteindelijk getrouwd met een man die mijn eer wilde redden.’

‘Waarom vertelt u me dit allemaal?’

‘Ik ben aan het einde van m’n leven en misschien kan ik nog iets goeds voor Trudy.’

Van der Velden kijkt haar niet begrijpend aan.

‘Trudy had twijfels rechercheur. Ze twijfelde aan de oprechtheid van Charles. Hij was vaak weg en kwam vaak heel laat thuis van z’n markten. Ze voelde dat er iets mis was, zoals mijn zuster dat ook gevoeld moet hebben.’

Als Van der Helm even later weer buiten staat, is de zon weer door de wolken gebroken. Z’n blik valt op het groene parkje en het bankje in de verte. Hij pakt z’n telefoon en belt een aantal mensen. Als laatste sommeert hij z’n collega Engelsman om hem onmiddellijk met de auto op te halen. Als hij even later instapt en in zijn verbaasde gezicht kijkt, noemt hij het adres van Charles als hun bestemming.

Charles opent zelf de deur en de rechercheurs lopen direct door naar de woonkamer, waar ze worden begroet door Chantal Warmerdam.

‘Wist u dat Trudy zwanger was?’ richt Van der Velden zich meteen tot Charles.

‘Was dat uw motief om haar om te brengen? Bent u niet meteen op maandagochtend achter haar aangegaan om haar om het leven te brengen, zodat u met Chantal hier verder kon? Heeft u niet uw militaire kennis gebruikt om met de manier waarop u haar heeft vermoord het te doen lijken alsof ze werd ondervraagd of werd gedwongen om haar huurcontract op te zeggen?

De overdonderde Charles zakt lijkbleek op de bank neer.

‘Ik wist het niet, echt niet. Mijn God, ik heb haar niet omgebracht. Dat zou ik niet kunnen en dat zou ik nooit gewild hebben.

Dan richt Van der Helm zich tot Chantal.

‘Nee, hij zou het niet kunnen, maar u wel. U wist dat Trudy op maandagmorgen vroeger dan gewoonlijk in de zaak zou zijn. U wist dat ze zwanger was, want dat heeft ze u afgelopen zondag zelf verteld toch? U wist bijna wel zeker dat Charles voor Trudy zou kiezen als hij zou weten dat ze zwanger was.’

Dan breekt Chantal en begint ze te gillen dat Charles een valse verrader is, dat hij Trudy zwanger heeft gemaakt terwijl hij een verhouding met haar had. Ze rent in paniek naar de voordeur en Engelsman maakt snel aanstalten om achter haar aan te gaan. Z’n collega houdt hem met een handgebaar tegen, want als ze de voordeur opendoet, staan er twee geüniformeerde agenten om haar op te vangen.

In de vroege avond zitten de twee rechercheurs achter een groot glas bier in het café waar iedereen in dit dorp wel eens is geweest.

‘Hoe wist je nu zo zeker dat die Chantal het gedaan moest hebben?’

‘Dat wist ik niet zeker, maar als een vrouw niet aan haar man vertelt dat ze zwanger is, dan klopt er iets niet. Bovendien begon ik het vermoeden te krijgen dat iemand Charles voor de moord wilde laten opdraaien, vanwege de opzichtige manier waarop Trudy is vermoord.’

‘Maar, hoe wist je dan dat hij een verhouding had met Chantal?’

‘Tante Wil heeft me vanmorgen aan het denken gezet en bovendien was het vreemd dat ze steeds zo dicht in de buurt van Charles was. Uiteindelijk had ze dus een motief. Ze was jaloers op Trudy en zo boos op Charles dat ze hem er voor op wilde laten draaien. Ze wist dat Trudy die ochtend heel vroeg aanwezig zou zijn en heeft wat touwen van Charles meegenomen om haar vast te binden. Ze moet op het internet hebben uitgevonden wat waterboarden is om haar vervolgens op die manier om te brengen en ons zo op het spoor van Charles te zetten. Daarmee had ze de middelen en de gelegenheid.’

‘Weten we dan inmiddels waarmee ze Trudy heeft geslagen, waarna ze haar kon vastbinden?’

‘Het lab is het nog aan het uitzoeken, maar ik vermoed dat ze een paar knopen in het touw heeft gemaakt en haar daarmee op het hoofd heeft geslagen.’

Engelsman neemt een slok van z’n bier en denkt nog even na over de gebeurtenissen van de dag.

‘Een Crime Passionel dus. Hoe ben je bij Tante Wil terechtgekomen?’

‘Intuïtie, een oude dame die altijd in dit dorp heeft gewoond en iedereen kent. Die hoort waarschijnlijk veel en gaat altijd naar haar vaste kapper om gezellig mee te  kletsen.’

Op dat moment komt Willie Vleugels binnen die monter op de rechercheurs afstapt.

‘Knap stukje werk heren. Mijn complimenten dat jullie dit zo snel hebben opgelost. Dat levert weer een mooi stukje op voor m’n nieuwswebsite.’

Dan gaat hij op fluisterende toon verder.

‘Ik sprak net de slager in de Havenstraat die me in vertrouwen vertelde dat hij vanmiddag bezoek heeft gehad van twee louche, vermoedelijk Oost-Europeanen, die hem “vriendelijk” hebben duidelijk gemaakt dat hij bescherming nodig heeft.’

De twee rechercheurs kijken elkaar aan en dan zegt Van der Helm.

‘Het lijkt er op dat we hier nog even moeten blijven.